leepoog
ondertaal
p-b-bi, nt tussen, l-l
tranend, plakkend oog-leepoog (16e eeuw)
bi-chenc-te-chel
bij ging/zink te geheel/gel/geil
zakt naar beneden en plakt
lijperik-domoor, vreemd
leep was oudtijds (o.a. bij Vondel) schuins, scheef, gezegd van de stand der ogen. Ook: niet recht, dit werd doorgetrokken naar slinks, daarna listig, gewiekst naar het huidige lijp.
© 2005-2013 TexelSites