debiel (lat.)
boventaal
b-bi, nt tussen
zwak van gestel-debiel (lat.)
te-chech-bi-chinc-te-chel
te schei/zich bij ging te heil/geheel/heel
gescheiden van het geheel, mist de heelheid
skeeje-gescheiden
verg: debiel, mobiel, labiel (het gedeelte "biel"betekent achtereenvolgens: bij geheel, kleef (aaneenklevend), lijf, reik/rijg bij (bereik, aaneengeregen).
© 2005-2013 TexelSites